Lezingen van 18 november 2020

Woensdag in week 33 door het jaar

Vrije gedachtenis van de kerkwijding van de basilieken van de heilige apostelen Petrus en Paulus
De basiliek, die keizer Constantijn de Grote boven het graf van St. Petrus liet bouwen, werd door paus Silvester in 326 plechtig ingewijd. Vanaf de twaalfde eeuw werd dit feit in het Vaticaan gevierd en later in alle kerken van de Romeinse ritus. Met deze herdenking eert de Kerk de prins der apostelen, die in 64 of 67, in het Circus van Nero de marteldood stierf. Hij werd begraven op de begraafplaats naast het circus. De huidige Sint-Pieter dateert van begin 16e eeuw. De oude Constantijnse basiliek werd op gezag van Nicholas V (1447-1455) gesloopt.

De heilige apostel Paulus werd na zijn onthoofding begraven op de plek waar nu de basiliek staat. Zij staat zo’n twee kilometer buiten de oude Romeinse stadsmuren op de weg naar Ostia. Keizer Constantijn liet de eerste kerk boven Paulus’ graf bouwen. Deze werd door paus Silvester op 18 november 324 ingewijd. Zestig jaar na de wijding beval keizer Valentinianus II de sloop van de kerk en gaf opdracht tot de bouw van een immense basiliek. Paus Siricius consacreerde de Paulusbasiliek in 390, terwijl hij pas vijf jaar later voltooid werd. De Sint-Paulus doorstond door de eeuwen heen plunderingen, aardbevingen en overstromingen, totdat zij in 1823 afbrandde. Paus Leo XII besloot tot de wederopbouw op zodanige wijze dat de basiliek nog steeds dezelfde gestalte en vorm heeft als aan het einde van de vierde eeuw.

Eerste lezing: Uit de Openbaring van de heilige apostel Johannes, 4, 1-11.
Ik, Johannes, had het volgende visioen: Ik zag een deur in de hemel die open stond en de stem, luid als een trompet, die ik al eerder tot mij had horen spreken, riep: Kom hier omhoog, dan zal ik u tonen wat hierna geschieden moet. Aanstonds raakte ik in geestvervoering. En zie: er stond een troon in de hemel en op de troon was Iemand gezeten. En Die erop gezeten was, was van aanzien gelijk jaspissteen en karneool. En rond de troon was een regenboog, helder als smaragd. Vierentwintig tronen omringden de troon en op die tronen waren vierentwintig oudsten gezeten, gekleed in witte gewaden, met gouden kronen op het hoofd. Van de troon gingen bliksemstralen uit en dreunende donderslagen. En zeven vurige fakkels brandden vóór de troon; dit zijn de zeven geesten Gods. En vóór de troon was als een glazen zee, kristal gelijk. En rondom de troon waren vier dieren, bezaaid met ogen voor en achter. En het eerste dier geleek op een leeuw, en het tweede op een jonge stier, en het derde dier had een gelaat als van een mens, en het vierde dier geleek op een adelaar in zijn vlucht. En de vier dieren hadden elk zes vleugels; rondom en van binnen zijn zij met ogen bezet. En zij roepen zonder rusten dag en nacht: Heilig, heilig, heilig, Heer, God, Albeheerser, die was en die is en die komt. En telkens als de dieren heerlijkheid, eer en dank brengen aan Hem die op de troon is gezeten, en die leeft in de eeuwen der eeuwen, vallen de vierentwintig oudsten neer voor Hem die op de troon is gezeten, om Hem te aanbidden die leeft in de eeuwen der eeuwen. En zij werpen hun kronen neer voor de troon, zeggend: Waardig zijt Gij, onze Heer en onze God, te ontvangen de heerlijkheid en de eer en de macht; want Gij hebt het heelal geschapen: door uw wil ontstond het en werd het geschapen.

Tussenzang: Ps. 150, 1-2. 3-4. 5-6.

Antifoon: Heilig, heilig, heilig,
Heer, God, Albeheerser. (Apok. 4, 8b)

Looft de Heer in zijn paleis,
looft Hem in zijn hoge hemel.
Looft Hem om zijn grote daden,
looft Hem om zijn majesteit.

Looft Hem met bazuingeschal,
looft de Heer met harp en citer.
Looft Hem met timpaan en reidans,
looft Hem met gitaar en fluit.

Looft Hem met geklep van bekkens,
looft Hem met cimbaal-gerinkel:
al wat ademt: looft de Heer.

Alleluia: Ps. 25 (24), 4c. 5a.
Alleluia. Leer mij uw paden kennen, Heer, leid mij volgens uw woord. Alleluia.

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas, 19, 11-28.
In die tijd was Jezus dichtbij Jeruzalem gekomen, en daar men meende, dat het Rijk Gods onmiddellijk ging verschijnen, vertelde Hij deze gelijkenis: Een man van hoge geboorte ging op reis naar een ver land om het koningschap te verkrijgen en dan terug te keren. Hij riep tien van zijn dienaars, gaf hun tien pond en sprak tot hen: Doet daar tijdens mijn afwezigheid zaken mee. Zijn landgenoten evenwel haatten hem en stuurden hem een gezantschap achterna om te zeggen: Wij willen niet dat deze man koning over ons wordt. Toen hij was teruggekeerd, na het koningschap toch verkregen te hebben, liet hij die dienaars roepen aan wie hij zijn geld gegeven had; hij wilde weten wat ieder voor zaken gedaan had. De eerste kwam en zei: Heer, uw pond heeft er tien opgeleverd. Hij antwoordde: Uitstekend, goede dienaar! Omdat gij in iets kleins trouw zijt geweest, zult gij gezag hebben over tien steden. Daarop kwam de tweede en sprak: Heer, uw pond heeft er vijf opgebracht. Ook hem antwoordde de heer: En gij, gij zult macht hebben over vijf steden. Toen kwam de derde en zei: Heer, hier is uw pond; ik heb het weggestopt in een doek en zo bewaard; ik had angst voor u omdat ge een streng man zijt, die terugeist wat ge niet hebt uitgezet en die oogst wat ge niet hebt gezaaid. Aan hem antwoordde de heer: Met uw eigen woorden zal ik u veroordelen, slechte knecht. Ge wist, dat ik een streng man ben, die terugeist wat ik niet heb uitgezet en die oogst wat ik niet gezaaid heb. Waarom hebt ge dan mijn geld niet naar de bank gebracht? Dan had ik het bij mijn terugkomst met rente kunnen opvragen. En aan degenen die er bij stonden, beval hij: Neemt hem dat pond af en geeft het aan hem die de tien ponden heeft. Ze wierpen op: Heer, die heeft al tien ponden. Maar hij ging verder: Ik zeg u: Aan ieder die heeft, zal gegeven worden; maar aan wie niet heeft, zal nog ontnomen worden, zelfs wat hij heeft. En die vijanden van mij, die mensen die niet wilden dat ik koning over hen werd: brengt ze hier en steekt ze voor mijn ogen neer. Nadat Jezus deze woorden gesproken had, trok Hij verder en ging op naar Jeruzalem.

Lezingen bij de vrije gedachtenis van de kerkwijding van de basilieken van de heilige apostelen Petrus en Paulus

Eerste lezing uit de Handelingen van de apostelen, 28, 11-16. 30-31.
Na drie maanden voeren wij weg op een schip uit Alexandrië dat op het eiland overwinterd had. Het droeg de Dioskuren als schegbeeld. Wij legden aan in Syracuse en bleven daar drie dagen. Vandaar voeren we langs de kust en kwamen in Regium. Doordat er ‘s anderendaags een zuidenwind opstak, waren we de volgende dag al in Puteoli. Daar troffen wij broeders aan en wij werden uitgenodigd zeven dagen bij hen te blijven. Tenslotte gingen we dan op Rome aan. Ook vandaar kwamen de broeders, die al van ons gehoord hadden, tot aan Forum Appii en Tres Tabernae. Toen Paulus hen zag, dankte hij God en schepte nieuwe moed. Na onze aankomst in Rome kreeg Paulus verlof op zichzelf te wonen met de soldaat die hem bewaakte. Volle twee jaar vertoefde hij in een eigen huurwoning en ontving allen die bij hem kwamen. Hij predikte het Rijk Gods en gaf onderricht in de leer over de Heer Jezus Christus in alle vrijmoedigheid, zonder enige belemmering.

Tussenzang Ps. 98 (97), 1. 2-3ab. 3cd-4. 5-6.

Antifoon: Zijn weldaden deed de Heer ons kennen, de volkeren zijn gerechtigheid.

Zingt voor de Heer een nieuw gezang
omdat Hij wonderen deed.
Zijn hand deed zich krachtig gelden,
de macht van zijn heilige arm.

Zijn weldaden deed Hij ons kennen,
de volkeren zijn gerechtigheid.
Opnieuw bleek zijn goedheid en trouw
ten gunste van Israëls huis.

Geheel de aarde aanschouwde
wat onze God voor ons deed.
Verheerlijkt de Heer, alle landen,
weest blij, verheugt u en zingt.

Zingt voor de Heer bij de citer,
met citer en psalterspel.
Laat schallen trompet en bazuin
en danst voor de Heer, uw Koning.

Alleluia.
Alleluia. U, God, loven wij. U, Heer, prijzen wij. U looft het roemvolle koor der apostelen. Alleluia.

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs, 14, 22-33.
Na de broodvermenigvuldiging dwong Jezus zijn leerlingen in de boot te gaan en alvast naar de overkant te varen, terwijl Hij het volk naar huis zou zenden. Toen Hij het volk had weggezonden, ging Hij de berg op om in afzondering te bidden. De avond viel en Hij was daar alleen. De boot was reeds een heel eind uit de kust verwijderd en werd geteisterd door de golven, want zij hadden tegenwind. Tegen de morgen kwam Jezus te voet over het meer naar hen toe. Maar toen de leerlingen Hem zo over het meer zagen gaan, raakten zij van streek omdat zij een spook meenden te zien en zij begonnen van angst te schreeuwen. Maar Jezus zei onmiddellijk tot hen: Weest gerust, Ik ben het. Vreest niet. Heer, – antwoordde Petrus – als Gij het zijt, zeg mij dan dat ik over het water naar U toe moet komen. Waarop Jezus sprak: Kom! Petrus stapte uit de boot en liep over het water naar Jezus toe. Maar toen hij merkte hoe hevig de wind was, werd hij bang; hij begon te zinken en schreeuwde: Heer, red mij! Terstond stak Jezus zijn hand uit en greep hem vast, terwijl Hij tot hem zei: Kleingelovige, waarom hebt ge getwijfeld? Nadat zij in de boot gestapt waren, ging de wind liggen. De inzittenden wierpen zich voor Hem neer en zeiden: Waarlijk, Gij zijt de Zoon van God.

Vieringen door de week

H. Nicolaas Baarn 

Lauden: iedere werkdag 8.15 – 8.30 uur

Eucharistie: dinsdag 19.00 – 19.45 uur

woensdag/donderdag: 8.45 – 9.30 uur

vrijdag: 19.00 – 20.00 uur

HH. Michael en Laurens de Bilt

Dinsdag 10:00 uur, Gebedsviering

H. Nicolaas Eemnes

Donderdag 10.00 uur, afwisselend Eucharistie en Gebedsviering

Petrus en Pauluskerk Soest

Woensdag 9.00 uur, Gebedsviering

Vrijdag 9.00 uur, afwisselend Eucharistie en Gebedsviering

Contact

Parochiesecretariaat HH. Martha en Maria:
Steenhoffstraat 41
3764 BJ Soest
KvK nr 74836048
Bereikbaar op maandag en woensdag tot en met vrijdag van 9.00 tot 12.00 uur.
E-mailadres: info@marthamaria.nl
Telefoonnummer: 035-6011320

U kunt ook het contactformulier gebruiken.