Lezingen van 26 juni 2020

Dinsdag in week 12 door het jaar

Vrije gedachtenis van de heilige Jozefmaria Escrivá (bisdommen Utrecht en Haarlem-Amsterdam)
Josemaria Escrivá de Balaguer y Albas, in het Nederlandse taalgebied ‘Jozefmaria’ genoemd, werd op 9 januari 1902 geboren in Barbastro, een dorp in het noorden van Spanje. Hij was de tweede van zes kinderen uit een praktiserend katholiek gezin. In 1918 kwam de jonge Escrivá tot de overtuiging dat God hem iets vroeg, zonder te weten wat dat was. Hij begreep dat hij zichzelf volledig aan God moest geven en priester moest worden. Naast zijn priesteropleiding studeerde hij rechten aan de universiteit van Zaragoza. Hij werd in 1925 priester gewijd.
In 1927 verhuisde hij naar Madrid om er te promoveren in het burgerlijk recht. Tegelijk verrichtte hij er priesterlijk werk onder armen, zieken en kinderen. Dit werk breidde hij uit onder studenten, kunstenaars, arbeiders en intellectuelen. In Madrid, op 2 oktober 1928, stichtte hij het Opus Dei (Werk van God). Doel van het Opus Dei is gelovigen eraan te herinneren dat zij geroepen zijn om in hun dagelijks leven heilig te worden. Vanaf 1928 wijdde Escrivá zich geheel aan de ontwikkeling van het Opus Dei.
Hij stierf in Rome op 26 juni 1975. Op 17 mei 1992 werd hij door paus Johannes Paulus II zalig verklaard. Tien jaar later, op 6 oktober 2002, werd hij, ook door Johannes Paulus II, heilig verklaard. In zijn preek bij de heiligverklaring zei de paus dat de heilige Jozefmaria was uitgekozen om de universele roeping tot heiligheid te verkondigen en om aan te geven dat de gewone activiteiten waaruit het dagelijks leven bestaat, een weg tot heiligheid zijn. Men zou kunnen zeggen dat hij de heilige van het gewone was.

Eerste lezing: Uit het tweede boek Koningen, 25, 1-12
In het negende regeringsjaar van Sidkia, in de tiende maand, op de tiende dag van de maand, trok Nebukadnessar, de koning van Babel, in eigen persoon met heel zijn krijgsmacht op tegen Jeruzalem; hij sloeg er zijn kamp op en wierp er een wal omheen. De belegering duurde tot aan het elfde regeringjaar van Sidkia. Op de negende dag van de maand, toen de hongersnood al zo nijpend was geworden dat er voor het volk van het land geen brood meer was, werd er een bres in de stadsmuur geslagen. Ofschoon de Chaldeeën rondom de stad lagen, verlieten de krijgslieden ‘s nachts de stad door de poort tussen de beide muren bij de koninklijke tuin en vluchtten in de richting van de Araba. Het leger van de Chaldeeën zette koning Sidkia achterna en haalde hem in op de vlakte van Jericho, nadat zijn leger uiteengevallen was. Zij namen de koning gevangen en brachten hem naar de koning van Babel in Ribla. Deze sprak het vonnis over hem uit. De zonen van Sidkia werden voor zijn ogen afgeslacht en vervolgens liet hij Sidkia de ogen uitsteken en hem geboeid met twee bronzen kettingen naar Babel wegvoeren. In de vijfde maand, op de zevende dag van de maand, in het negentiende regeringsjaar van Nebukadnessar, de koning van Babel, trok Nebuzaradan, commandant van de lijfwacht en adjudant van de koning van Babel, Jeruzalem binnen. Hij stak de tempel van de Heer, het koninklijk paleis en alle huizen van Jeruzalem in brand; alle grote gebouwen liet hij in vlammen opgaan. Het leger van de Chaldeeën, dat onder bevel stond van de commandant van de lijfwacht, sloopte de muur van Jeruzalem. Wat van het volk in de stad nog was overgebleven, alsook degenen die naar de koning van Babel waren overgelopen, de rest van de bevolking, werd door Nebuzaradan, de commandant van de lijfwacht, in ballingschap weggevoerd. Alleen de armsten van het volk liet de commandant van de lijfwacht achter om te zorgen voor wijngaarden en akkers.

Tussenzang: Ps. 137 (136), 1-2. 3. 4-5. 6.

Antifoon: Moge mijn tong in mijn mond blijven kleven
als ik aan u niet meer denk.

Wij zaten aan Babylons stromen en weenden
denkend aan Sion;
en aan de wilgen die daar staan
hingen de citers.

Onze ontvoerders vroegen gezangen,
onze verdrukkers een vrolijk lied:
zingt ons van Sion!

Zouden wij dan van de Heer kunnen zingen
hier in dit vreemde land?
Als ik, Jeruzalem, u ooit vergeet
moge mijn hand verlammen;

Moge mijn tong in mijn mond blijven kleven
als ik aan u niet meer denk;
Als ik Jeruzalem zou willen ruilen
voor wat plezier.

Alleluia: vgl. Ef. 1, 17-18.
Alleluia. De God van onze Heer Jezus Christus moge ons innerlijk oog verlichten, om te zien, hoe groot de hoop is waartoe Hij ons roept. Alleluia.

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs, 8, 1-4
Toen Jezus van de berg was afgedaald, volgde Hem een talrijke menigte. Een melaatse kwam naar Hem toe en smeekte Hem op zijn knieën: Als Gij wilt, Heer, kunt Gij mij reinigen. Jezus stak de hand uit, raakte hem aan en zei: Ik wil, word rein. En terstond werd hij van zijn melaatsheid gereinigd. Jezus sprak tot hem: Zorg er voor dat ge het niemand zegt, maar ga u laten zien aan de priester en offer de gave die Mozes heeft voorschreven, om ze het bewijs te leveren.

Vieringen door de week

H. Nicolaas Baarn 

Lauden: iedere werkdag 8.15 – 8.30 uur

Eucharistie: dinsdag 19.00 – 19.45 uur

woensdag/donderdag: 8.45 – 9.30 uur

vrijdag: 19.00 – 20.00 uur

HH. Michael en Laurens de Bilt

Dinsdag 10:00 uur, Gebedsviering

H. Nicolaas Eemnes

Donderdag 10.00 uur, afwisselend Eucharistie en Gebedsviering

Petrus en Pauluskerk Soest

Woensdag 9.00 uur, Gebedsviering

Vrijdag 9.00 uur, afwisselend Eucharistie en Gebedsviering

Contact

Parochiesecretariaat HH. Martha en Maria:
Steenhoffstraat 41
3764 BJ Soest
KvK nr 74836048
Bereikbaar op maandag en woensdag tot en met vrijdag van 9.00 tot 12.00 uur.
E-mailadres: info@marthamaria.nl
Telefoonnummer: 035-6011320

U kunt ook het contactformulier gebruiken.